Groeikracht

.

.

Het wordt menens nu de zomer begint
aan de flirt met zijn geliefde tegenpool.

Als een magneet zo sterk is zijn drang
naar de oogst, het verschrompelen,
de verkoeling. In de aarde verstillen.

De herfst talmt geen moment meer, nu het
windgefluister hevig aanzwelt en hij zich
mag voegen in de schemering van het jaar.

De bomen in zichzelf verder gegroeid laten
zwierend los in hun levensspel  als in een
vreugdedans die de kern laat doorademen.

Wanneer ik zo naar buiten kijk, kan ik mee
naar binnen om mijn herfst toe te laten.

.

.

©svara
24-09-2012

.

Advertenties

Binnenhuis

.

zijn ogen troebel en glimmend
tranen wilden het niet worden
bang om ontroering te verstoren
en samen over de rand te vallen

onbereikbaar

door de kleur van zijn omhulling
in een wijds gebaar gedrapeerd
om in diepe plooien te graven
en haar beeltenis te omarmen

.

©svara
05-09-2012
 .

.

‘tijd voor’ Tao

.

Lao Tse

Uit: Tao te King
Door mij gekozen volgorde.

.

Tao is kolkende leegte, niet te vullen, en daarom onuitputtelijk.
In zijn peilloze diepte rust de grond der tienduizend dingen.

Hij verzacht het ruwe, lost de verwarring op,
Tempert de schittering en mengt het stof

Door zijn diepte lijkt hij te bestaan.
Ik weet niet wie hem voortbracht.
Hij is het beeld van wat aan God voorafgaat.

Ik ken de naam niet, maar noem het Tao.
Als ik het moest omschrijven, zou ik het ‘groots’ noemen
Het is groots omdat het zich uitstrekt.
Zijn uitgestrektheid is zonder einde.
Zijn oneindigheid doet het terugkeren.

De Tao is als een rivier die overal buiten haar oevers treedt.
Wie Tao volgt is nergens vol van en vernieuwt zich door de leegte.

Dertig spaken komen in de naaf bijeen,
maar het wiel is bruikbaar door de leegte.
Uit klei vormt men het vat,
maar het laat zich vullen door de leegte.
In een huis maakt men ramen en deuren,
maar de leegte maakt het bewoonbaar.
Zo danken wij aan het zijn de mogelijkheid
en aan het niet-zijn de bruikbaarheid.

Wie kijkt ziet hem niet, want hij is het meest vage.
Wie luistert hoort hem niet, want hij is het meest zwakke.
Wie grijpt vat hem niet, want hij is het meest nietige.
Deze drie zijn onbegrijpelijk en mengen zich tot Eén.

Tao is volkomen chaos en ontglipt je
Hoewel het volkomen chaos is en je ontglipt,
heeft het de oervorm in zich.
Hoewel het volkomen chaos is en je ontglipt,
draagt het de kern van ieder ding in zich.
In zijn diepte en zijn duisternis bergt het de levenskiem,
en die is geheel zuiver.
In de kiem ligt de levenskracht.

In de hoogte niet stralend, in de diepte niet duister.
Eeuwig en naamloos keert hij in tot het niet-zijn.
Hij is de vorm zonder gestalte en het beeld zonder beeltenis.
Hij is volkomen chaos en ontglipt je.
Nader hem en je zult geen gelaat zien.
Volg hem en je zult geen rug zien.

Het hoger doet zich niet als zodanig voor,
en dat is zijn deugd.
Het lager doet zich deugdzaam voor,
en daarom deugt het niet

Het hoger lijkt daadloos en doelloos,
maar maakt alom waar.
Het lagere doet, wil van alles
en heeft veel waar te maken.

Het goede handelt zonder bedoeling.
Goedheid bedoelt goed te zijn.
Het recht wil gerechtigheid.
De politiek doet en krijgt gedaan,
zo niet goed- dan wel kwaadschiks.

Ofwel, wie Tao verliest houdt het goede over.
Wie het goede verliest houdt goedheid over.
Wie goedheid verliest houdt gerechtigheid over.
Wie gerechtigheid verliest houdt politiek over.

Politiek wekt de schijn van trouw
en is het begin van alle wanorde.
Kennis is niet meer dan de bloem van Tao
en het begin van alle stompzinnigheid.

De ware mens blikt daarom in de diepte
en dwaalt niet over het oppervlak
Hij zorgt voor de vrucht en laat de bloem voor wat zij is.
Hij laat het een en kiest voor het ander.

.
.
.