Vandaag

.

.
In een kleiner wordende wereld
werd de omvang gaandeweg groter
het zwarte gat zag ik van de week nog
dichtbij maar te ver om hier het licht
haar lichtkracht volledig te ontnemen.

De gaaien snaaien weer, duifjes tortelen
de eerste citroenvlinder heb je gemist
je fiets is niet meer afgestoft.
Onomkeerbaar is een cyclus gerond.

Zaden voor een nieuwe lente
zijn gezaaid en piepen hun kracht naar
ieders hartenlust uit de aarde op de rand
van donker naar licht waar de zin van
ruimte en tijd hemels wil zinderen.

.

©svara
14.04.19
.
.
.
.
.

Vinderslicht

.

280px-paradiso_canto_31.jpg
.

 

 

 

 

 

 

 

Hoor de roep van ooit, gezang
boven het blauw, die fluistering van je ziel
de bakens die jou begeleiden om rotsen heen
doodlopende wegen mijden in die
oorverdovende stilte van donker naar licht
om als sterrenstof in alles te verschijnen.

Nog altijd recht door zee, zo boven beneden
binnen buiten links rechts over en weer, weer rond
weet het licht van voor en na, tis om het even én
met een glimlach kan weer gewist of meegenomen.
Geen verdwalen, geen google meer, slechts een
snelweg van licht en de beer die hier zal waken.
.

@svara
23.04.2018

.

.

.

Op de 24.496-ste dag

.

In de hoogte

‘Zo jongen, ben de daar? ‘k Heb lang gewacht.

Neen, excuseer je niet: ik had de tijd;
als achter me, ligt vóór me de eeuwigheid,
en ‘k wist, je kwam. ‘k Had ’t zelf zo uitgedacht.

Neen, mij is niets te klein: ik houd de wacht,
als ’t wazig glansje langs een herfstdraad glijdt,
en als de duizling op kometen rijdt
door ’t steilhellende stadion van de nacht.

Van Brahmans wereldrijkdom houd ik boek:
geen Algol, geen elektron is ooit zoek;
‘k zie steeds – Laplace – ze elk cirklen langs hun baan,

en als ‘k een Brahmanperiode sluit,
en Zijn nieuwjaar begin, komt alles uit
tot op een Melkweg en een kindertraan.’

.

J.A. Dér mouw
1863-1919

.

.

.

Rond

.

Deze diashow vereist JavaScript.

.

1991|2015

het is mooi
geweest
zinvol

ver reikend
soms ondersteboven
nooit zinloos

dit verrijkend verleden
dat een toekomst
mag krijgen

ooit
anders weer
misschien
.
Als dank schreef ik voor iedere cursist
uit mijn laatste wekelijkse Raja Yogagroep een persoonlijke haiku. Als een gekleurd midden tussen 64 andere haiku.

.
Jouw uitademing
vraagt om jezelf met lichtkracht
in te ademen.

Klimmen door vele
dalen vraagt te vertragen,
om nu, híer te zijn.

In bescheidenheid
volledig aanwezig door
het licht van jouw Zijn.

Door samenvallen
in allesomvattend web,
krijgt voelen voeten.

Puur zijn en staan, met
sprieten fijnbesnaard, schenk je
in liefde jouw thuis.

Stille kracht, stevig
als een boom, soepel beweegt
jouw kwetsbaarheid mee.

Levend met de wens
jezelf in verbondenheid,
voelend te kennen.

Enthousiasme en
daadkracht straalt uit het hart. Zó
treed jij naar buiten.

Wetend wat je wilt
bewandel je het pad in
jouw levensritme.

In kwetsbaarheid je
blik naar binnen om stralend,
licht, weer kunnen Zijn.

In gewaar zijn rijpt
het weten wat ten diepste
in jou wordt gewild.

©svara
11-12-2014

.

.

Gelijktijdig

.
gevangen wachtte zij
aan de rand van een tyfoon
dood in het grote oog

grenzeloos als hij is

werd tijd overbrugd naar de
andere kant van de aarde
waar haar oma het leven liet

in overgave niet alleen

zoals elke druppel werd opgenomen
in het watergordijn toen zij
in verbondenheid veilig schuilde

 
©svara
08/2013

.

.

Rutger Kopland 1934 – 2012

.

.

.
Geen gezicht, geen handen, geen haar, en altijd…

Geen gezicht, geen handen, geen haar, en altijd
een ander. Het is weer de geur van een vreemde
mantel, zo dichtbij als die geur, maar ook zo
onzichtbaar, ook zo voorbij. Ik kijk naar de hei,

naar de mistige, eenzame berkjes en denk hoe
ik het moet, hoe moet ik het zeggen dat,
ik ben weer gelukkig, weer net zo alleen als
vroeger, ik verlangde, en wist niet naar wie. Ze

had geen gezicht nog, geen haar en geen handen, ze
was altijd een ander, ze rook zo dichtbij maar zo
vreemd, als jij nu. Wie ben je, zeg ik, we hebben

samen een leven al achter de rug en nog moet ik
denken, liefste wie ben je. Ze neemt mijn hoofd
in haar handen en strijkt het haar uit mijn gezicht.

Rutger Kopland

.

uit: 555 gedichten over leven, liefde en dood

.

Bouwstenen

.
.

fragiel in haar kracht
stond ze niet alleen en toch
in een cirkel met twee klimbomen
door fakkels, bebossing omringd
op zanderig gras
volgde ze die kleine bouwers
van zijn hemelhuis
woorden op hout
veel woorden
mooie woorden te verschenken
aan het vuur
om mee te vervluchtigen
naar een lichter bestaan
in de donkere aarde
liefdevol toegedekt
een snoepjesdas naar zijn hart
voor zijn toekomst mee
maar eerst
eerst
liepen wij nog met zovelen
zijn leven terug
het ging ons allemaal te vlug

.

©svara
05-03-2012


klik voor muziek

For a Dancer

Keep a fire burning in your eye
Pay attention to the open sky
You never know what will be coming down

I don’t remember losing track of you
You were always dancing in and out of view
I must’ve always thought you’d be around
Always keeping things real by playing the clown
Now you’re nowhere to be found

I don’t know what happens when people die
Can’t seem to grasp it as hard as I try
It’s like a song playing right in my ear
That I can’t sing
I can’t help listening

I can’t help feeling stupid standing ‘round
Crying as they ease you down
‘Cause I know that you’d rather we were dancing
Dancing our sorrow away
(Right on dancing)
No matter what fate chooses to play
(There’s nothing you can do about it anyway)

Just do the steps that you’ve been shown
By everyone you’ve ever known
Until the dance becomes your very own
No matter how close to yours another’s steps have grown
In the end there is one dance you’ll do alone

Keep a fire for the human race
And let your prayers go drifting into space
You never know will be coming down

Perhaps a better world is drawing near
And just as easily, it could all disappear
Along with whatever meaning you might have found
Don’t let the uncertainty turn you around
(The world keeps turning around and around)
Go on and make a joyful sound

Into a dancer you have grown
From a seed somebody else has thrown
Go on ahead and throw some seeds of your own
And somewhere between the time you arrive and the time you go
May lie a reason you were alive but you’ll never know

.

.

.

.

.

.